Pardonpeton!

La vera aspekto de la retejo ne povas por esti korekte rigardata per via retumilo.
La adreso:
Universala Esperanto-Asocio
Nieuwe Binnenweg 176, 3015 BJ Rotterdam, Nederlando
tel.: +31 10 436 1044
faks.: +49 30 364280169
rete: vidu la liston
 
Internationale talen en mensenrechten
Esperanto-Dokumentoj, n-ro 37E (2002)
door Robert Phillipson
Nederlandse vertaling: drs. Bert de Wit
Dit artikel analyseert hoe sommige talen ‘internationaal’ zijn geworden en het noemt voorbeelden van de verbreiding en legitimering van de meest gebruikte taal, het Engels. Het onderwerp ‘gelijkwaardige talen’ behandelen we in relatie tot de praktijk van veeltaligheid in interstatelijke organisaties, de Volkenbond en de Verenigde Naties, en in de meest ambitieuze en veelomvattende van alle verbonden tussen staten, de Europese Unie. Men kan alternatieven bedenken voor een systeem waarin men een klein aantal officiële talen gebruikt en aldus op een onrechtvaardige basis rechten verschaft aan mensen uit verschillende taalgebieden. Het artikel wijst er verder op dat internationale talen zich opdringen aan nationale talen op een zodanige wijze, die niet in overeenstemming is met de principes van mensenrechten.
Internationale talen
Een taal is altijd de gezellin van een rijk en zal altijd haar partner blijven
(Nebrija 1492, geciteerd in Illich 1981, p.34)

De gemeenschappelijke interpretatie van de term ‘internationale taal’ is: een taal, die mensen uit verschillende naties en van verschillende origine onder elkaar gebruiken. In die zin worden er veel internationale talen gebruikt op alle continenten, van het Portugees en het Hindi tot het Latijn en het klassiek Arabisch, en bovendien nog linguae franche (intertalen) en pidgintalen op kleine gebieden.

De term ‘internationale taal’ gebruikt men ook voor kunstmatige talen of plantalen als bijvoorbeeld Esperanto; talen die specifiek zijn gecreëerd om de internationale betrekkingen en wederzijds begrip te vergemakkelijken; soms noemt men ze internationale hulptalen. Gebruikers van die talen krijgen van geen enkele natie of staat ondersteuning, wat in sterk contrast staat met de situatie van de talen die over de hele wereld getransplanteerd zijn, zoals het Engels, Frans en Spaans.

Taaloverheersing komt voort uit verovering, militaire en politieke onderwerping en economische uitbuiting. De rol van de taal in imperialistische expansies was een kernelement van de europeanisering van de wereld. De achterliggende taalpolitiek kwam voor het eerst naar voren in een taaldocument dat gepresenteerd is aan het Spaanse koningshof in 1492 (zie het citaat van Nebrija in het begin van dit artikel). In die tijd werden de voornaamste Europese talen slechts door enkele miljoenen mensen gesproken en werden ze niet internationaal gebruikt. De huidige rol van het Engels, Frans, Spaans en Portugees geeft aan hoe succesvol en meedogenloos men het principe van taalonderdrukking heeft opgedrongen.

(Ex-)Koloniale machten zijn zelden bereid te erkennen, dat talen en culturen buiten die van henzelf, van zichzelf een waarde en rechten hebben. Linguïsten hebben het spoor van Nebrija gevolgd, waarbij zij kolonialistische taalhiërarchieën hebben gelegitimeerd (Calvet 1974; Crowley 1991). Internationale taalhegemonieën worden gevoed met geloven en houdingen t.a.v. taalhiërarchieën en vervlechten zich met de politiek om aan de dominante taal meer middelen te verschaffen.

Er bestond tussen de eerste en tweede wereldoorlogen een ingenieus project om een gereduceerde versie te maken van het Engels als ‘internationale hulptaal’, genaamd "BASIC English" (BASIC = British American Scientific International Commercial, Brits Amerikaans Wetenschappelijk Internationaal Handels-Engels). Men stelde dat voor, in de hoop dat minder belangrijke talen zouden worden geëlimineerd: Wat de wereld nodig heeft, dat is ongeveer duizend meer dode talen – en één meer levende (Ogden 1934, geciteerd in Bailey 1991, p.210). In die context wordt "internationaal wederzijds begrip’ bezien als eenzijdig; andere talen moet men maar verlaten en men moet de dominante, Engelse taal maar omarmen, die gemakkelijker en toegankelijker is gemaakt door vereenvoudigingen. Taalimperialisme impliceert in alle gevallen de superioriteit van de dominante taal, zowel tijdens de koloniale tijd als in de tijd erna (Mühlhäusler 1996; Phillipson 1992). De Britten en Amerikanen hebben een uitgebreide infrastructuur gecreëerd om het Engels in de wereld te verbreiden. 1

Opinies over de superioriteit van het Engels en zijn deugdelijkheid als de internationale taal zonder gelijke zijn al oud. Een gedetailleerd onderzoek van de beelden over het Engels in verschillende eeuwen leidt tot de conclusie dat de ideeën die ontstaan zijn tijdens het hoogtepunt van de koloniale tijd, waarin Groot-Brittannië en de VS een hoofdrol speelden, niet zijn veranderd, toen economisch kolonialisme in de plaats kwam van het directe bestuur van landen in de Derde Wereld. Men gelooft nog, dat het Engels onvermijdelijk de wereldtaal is: de redenen voor de prominente rol van het Engels in wereldomvattende zaken zijn dezelfde als die men voor het eerst opschreef in de negentiende eeuw (Bailey 1991, p.121) 2.

Een voorbeeld van chauvinistisch triomfalisme verscheen op een pagina in een Londense krant in november 1991. Toen was de Britse regering niet enthousiast over de Europese Unie en GB had weinig invloed op de Europese integratie. Als Europa een toekomst heeft, dan heeft ze meer dan een gemeenschappelijke valuta, gemeenschappelijke buitenlandse politiek en gemeenschappelijk recht nodig. Het moet een gemeenschappelijke taal hebben. Die taal kan alleen het Engels zijn (Daily Mail, 29 novembro 1991).

Staten, die zich verzetten tegen de verbreiding van het Engels en gelijke rechten voorstaan voor hun talen, worden als ‘chauvinistisch’ gebrandmerkt; ze lijden onder een ‘archaïsche nationale trots’. Het onderliggende geloof lijkt dit te zijn: men is er toch in geslaagd om het Engels als dominante taal in zulke staten als GB en de VS op te dringen, dan kan men dezelfde processen ook toepassen op Europese en wereldschaal. Als eentaligheid kan triomferen in een natie (zo denkt men), waarom dan niet ook internationaal?

Wiens belangen dienen internationale talen?
Wat er tijdens mijn leven is gebeurd, dat is de veramerikanisering van de wereld
(George Bernard Shaw, geboren in 1856, schrijvend in 1912)

De Britse regering is zich wel bewust van de politieke voordelen, die de geprivilegieerde rol3 van het Engels aan Groot-Brittannië verschaft en de daaruit voortvloeiende economische invloed4. De pers applaudisseert conform hetzelfde idee5. Er is een voortdurende stroom van boeken over verschillende aspecten van het Engels als wereldtaal; niet alle zijn echter naïef triomfantelijk6. Een publicatie in opdracht van de British Council over de toekomst van het Engels (Graddol 1997) stemt tot nadenken als multidimensionale analyse van de rol van verschillende economische, technologische en politieke factoren, die ooit eens andere talen naar voren zouden kunnen brengen als dominante internationale talen.

De huidige situatie is een soort "MacDonaldisering", een structurele asymmetrie door economische macht; dat symboliseert bijvoorbeeld het feit, dat 80% van de in West-Europa getoonde films uit Californië afkomstig is, terwijl 2% van de in Noord-Amerika getoonde films van Europese oorsprong is. MacDonaldisering moeten we begrijpen als het kweken van mondiale consumenten, diensten en leveranciers; het is een agressieve, dagelijkse manier van handel drijven; het beheersen van de informatiestromen, die de mensen niet wijst op de lange termijn gevolgen van een ecologisch verwoestende levenswijze; een concurrentie ten nadele van lokale cultuurmakers; verhinderen van lokale initiatieven; dit alles komt samen om de lokale culturele ruimte te beperken (Hamelink 1994). Verscheidene stappen zijn ondernomen die erop gericht zijn om die invloed op Europees en nationaal niveau tegen te gaan, vooral in Frankrijk: men wil de culturele en taaldiversiteit beschermen. Op dat gebied worden de onderlinge verbanden tussen economische factoren, cultuur en taalpolitiek onderzocht, maar een verdere uitwerking moet nog plaatsvinden (Grin en Hennis-Pierre 1997).

De druk van de commerciële en communicatieve globalisering spoort met het werk van die opvoeders, die een ‘wereldopvoeding’ nastreven. Het zijn intellectuelen die samen een wereldwijd onderwijsprogramma concipiëren, gekoppeld aan een wereldwijd examensysteem en wereldwijde regelingen om de kwaliteit van de opvoeding en training te verzekeren.7 Het voorgestelde kernprogramma noemt zeven sleutelgebieden voor het leren, waaronder ‘de wereldtaal’, die verplicht is voor iedereen, d.w.z. het Engels; een tweede gebied heeft betrekking op andere talen, die geleerd moeten worden door die ongelukkigen, wier moedertaal niet het Engels is.8 Inderdaad veronderstelt die visie op opvoeding twee soorten mensen: eentalige Engelssprekenden, en de overigen, de tweetaligen. Het is een recept om terug te gaan naar de wereld voor de Zondvloed en Babel, waar alle waardevols wordt voortgebracht in één enkele taal.

De verbreiding van het Engels, of ecologie van talen?

Globalisering is geen verschijnsel dat onlangs is opgekomen, hoewel modieus academisch denken wellicht die indruk wekt. Wat nieuw is, is de omvang en de diepte van de wereldwijde penetratie van culturen. Veel dimensies van de actuele taalpolitiek drukt de Japanse intellectueel, expert in communicatie, Yukio Tsuda, als volgt uit met behulp van twee concurrerende paradigma’s:

Paradigma: verbreiding van het Engels

  1. kapitalisme
  2. wetenschap en technologie
  3. modernisering
  4. streven naar eentaligheid
  5. ideologische mondialisering en internationalisering
  6. transnationalisme
  7. amerikanisering en homogenisering van de wereldcultuur
  8. taal-, cultuur- en communicatie-imperialisme.

Paradigma: ecologie van talen

  1. een zienswijze die mensenrechten respecteert
  2. gelijkberechtiging en communicatie
  3. veeltaligheid
  4. behoud van talen en culturen
  5. bescherming van nationale soevereiniteit
  6. stimuleren van het leren van vreemde talen.

(Tsuda 1994; wij hebben de letters en cijfers erbij geplaatst. Voor verdere uitwerking zie Phillipson en Skutnabb-Kangas 1996; Skutnabb-Kangas 1999)

Het verschil tussen de tegengestelde wereldbeschouwingen kan men zien m.b.t. taalpolitiek in Afrika, waar sommige invloeden de verbreiding van het Engels versterken en andere de plaatselijke taalecologie. Mazrui (1997) gaat in op de vraag hoe de taalhiërarchieën van de koloniale tijd nog steeds aan de basis staan van de onderwijspolitiek van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds en actueel ‘hulp’ beïnvloeden, samen met de beruchte, de samenleving vernietigende en verarmende politiek van structuurwijzigingen: … de echte houding van de Wereldbank… stimuleert de versterking van de imperialistische talen in Afrika.. de Wereldbank lijkt de afrikanisering van de taal van het gehele basis- en voortgezet onderwijs als een krachtsinspanning te zien, waarover men niet serieus moet nadenken. Haar tekst over strategieën om universiteiten te stabiliseren en te vernieuwen noemt bijvoorbeeld totaal niet de rol van de taal op dat derde niveau van opvoeding in Afrika……Volgens hervormingsprogramma’s van de Wereldbank en het IMF is de enige weg, die Afrikaanse naties kunnen volgen, het aanvaarden van imperialistische talen vanaf het begin van de opvoeding van ieder kind (Mazrui 1997, p.39-40).

"Hulp" op onderwijsgebied weerspiegelt het taal-apartheidsgeloof (linguicist9), dat alleen de Europese talen geschikt zijn voor de taak om de Afrikaanse economieën en geesten te ontwikkelen. Op het valse karakter van die houding hebben verscheidene Afrikaanse intellectuelen geattendeerd., waaronder Ansre, Bamgbose, Kashoki, Mateene en Ngugi (zie o.m. Phillipson 1992; zie ook Djite 1993; en in het bijzonder over taalrechten in Afrika Akinnaso 1994, en Phillipson en Skutnabb-Kangas 1994).

Een alternatieve handelwijze, gebaseerd op de versterking van Afrikaanse talen, is te vinden in een serie politieke documenten, die is goedgekeurd door Afrikaanse regeringen, met als hoogtepunt de Verklaring van Harare (The Harare Declaration), goedgekeurd door de Intergouvernementele Conferentie van Ministers over Taalpolitiek in Afrika, 20-21 maart 1997 (gereproduceerd in The New Language Planning Newsletter [Het Nieuwe Taalplanning Bulletin] 11/4, juni 1997). Zij verklaart, dat een geschikte politiek die gebouwd is op basis van Afrikaanse talen niet tot uitvoering is gekomen en schetst veel strategieën om de ecologie van lokale talen te versterken. Zij beschouwt het vooruitbrengen van Afrikaanse talen als de kern van processen van democratisering en vreedzaam samenleven:

Het beste gebruik van Afrikaanse talen is een noodzakelijke voorwaarde voor een sterke stimulering van Afrikaanse creativiteit, genialiteit en ontwikkeling

… Afrika, waar wetenschappelijke en technologische uitwisselingen plaatsvinden en de nationale talen als onderdeel van onze intellectuele voorbereiding om de uitdagingen van het komend millennium aan te gaan.

… [Afrikaanse regeringen] doen een beroep op alle betrokkenen in Afrika en de hele wereld om zich te engageren in heldere en energieke samenwerking, waarbij de integriteit van de Afrikaanse identiteit en de harmonieuze vooruitgang van de menselijke waarden en waardigheid, zoals die tot uitdrukking komen in Afrikaanse talen, worden gerespecteerd.

De politiek van de Wereldbank, en het handelen van donoren die met haar samenwerken, versterkt de verbreiding van het Engels. In contrast hiermee staat de Verklaring van Harare, die de Afrikaanse taal-ecologie probeert te versterken en daarbij voortbouwt op de bestaande veeltaligheid en lokale talen gebruikt om lokale problemen op te lossen. Het Engels zou men nog kunnen leren als vreemde taal, maar het moet niet geleerd worden om andere talen te doen verdwijnen of zich aan hen op te dringen.

De bovengenoemde voorbeelden van het debat over taalpolitiek moet men zien in de context van de politieke realiteit. Om op wereldschaal taalhiërarchieën te beoordelen in de postkoloniale, de postcommunistische of de EU-contexten, moet men denken aan economische en politieke factoren, aan hoe middelen beschikbaar zijn voor een of enkele talen, maar niet voor andere, en aan de ideologieën die dergelijke voorkeuren legitimeren en gewoonlijk sommige talen de hemel in prijzen en andere talen afkeuren. Theorieën over taal en macht, over taalpolitiek en sociale structurering, over talen in het onderwijs, moet men ankeren in de complexe, reële wereld van geldstromen en dominante handel. Dat is een wereld, waarin ongelijkheid structureel is en gelegitimeerd door apartheid van taal. De ‘internationale’ taal, het Engels, wordt beschouwd als universeel geschikt, ondanks de overvloedige aanwijzingen, dat het wijd verbreide gebruik ervan in postkoloniale landen ten dienste staat van Westerse belangen (precies dat is het doel van globalisering) en niet de behoeften bevredigt van de meerderheid van de bewoners van die landen.

Het paradigma van de taal-ecologie heeft een ander uitgangspunt. Het vooronderstelt, dat sprekers van verschillende talen dezelfde rechten tot communiceren hebben, dat veeltaligheid wenselijk is en gestimuleerd dient te worden en vergemakkelijkt, en dat taalpolitiek moet worden geleid door principes van gelijkheid en mensenrechten.

Een utopisch intermezzo: voorstellen voor een authentiek neutrale internationale taal, Esperanto, bij de Volkenbond en het Europees Parlement

Bedenk, dat het enige middel om een dergelijke vrede te bereiken, is: voor eens en altijd de voornaamste oorzaak van de oorlogen weg te nemen, het barbaarse restant uit de tijd voor de beschaving, nl. het heersen van de ene bevolkingsgroep over de andere. (Zamenhof 1915, geciteerd in Centassi en Masson 1995).

De Volkenbond was gecreëerd als forum om te werken aan het voorkomen van wereldbranden als de Eerste Wereldoorlog. Het aantal lidstaten varieerde van veertig tot vijftig; in de Verenigde naties zijn er op dit moment ongeveer tweehonderd. De VS bleef buiten de Volkenbond ondanks de sleutelrol van President Wilson bij zijn oprichting.

De Volkenbond moest bedenken in welke taal de zittingen zouden plaatsvinden. Het Frans was voorheen de meest prestigieuze taal van de diplomatie (tenminste in de Westerse wereld), maar niet bij alle ‘internationale’ conferenties. Bij de congressen van Universala Esperanto-Asocio voor 1914 waren enkele regeringen officieel vertegenwoordigd; zelfs elf op het congres van 1910 (Centassi en Masson 1995).

Zelden overwegen internationale organisaties serieus om een plantaal te gebruiken, een neutrale taal, niet gebonden aan een specifieke macht, een taal die makkelijk te leren is voor iedereen. Men neigt ertoe om dat af te wijzen zonder serieus na te denken over de vraag waarom die juist een alternatief kan zijn voor een ‘natuurlijke’ taal.10

De mogelijkheid om het leren van Esperanto te stimuleren en het zelfs te gebruiken als werktaal werd serieus bekeken, maar Frankrijk heeft daartegen fel verzet gepleegd. Over Esperanto heeft men verscheidene malen gediscussieerd in de periode 1920-1924, en men heeft rapporten aangehoord over het leren van de taal in 26 landen. Gedelegeerden van elf staten (België, Brazilië, Chili, China, Colombia, Tsjecho-Slowakije, Haïti, India, Italië, Perzië, Zuid-Afrika) bevalen in 1920 aan, dat Esperanto moest worden onderwezen op scholen "als gemakkelijk middel voor internationaal begrip”(Lins 1988, p.49-61). Minder kleine staten, waaronder enkele Aziatische, ondersteunden de idee van een neutrale internationale taal. Maar de krachten, die de talen van de grote lidstaten steunden, wonnen. De bestaande wereldmachtsorde zou misschien in gevaar zijn gebracht, niet alleen door een neutrale taal, maar ook door een pacifistisch, utopisch geloof van enkele Esperantisten11. De Esperanto-optie werd afgewezen en die houding is er tot op de dag van vandaag, behalve dan dat men enige erkenning met woorden heeft verleend en consultatieve relaties met de VN, UNESCO en de internationale PEN-club heeft toegestaan.

Er bestaat volop literatuur over Esperanto. Tot de meest betekenisvolle, sociolinguïstische feiten behoort, dat verscheidene duizenden kinderen in de wereld (in meer dan 2000 families) de taal gebruiken als moedertaal; dat het schrijven van fictie bloeit in de vorm van romans en gedichten, zowel oorspronkelijke als vertaalde; dat het wordt gebruikt als communicatiemiddel bij verscheidene wetenschappelijke conferenties over vele thema’s; dat de taal veel sneller te leren is dan andere vanwege productieve regels, zonder uitzonderingen, die haar basis vormen; dat, hoewel ze het merendeel uit de basale Europese woordenschat haalt, haar systematische opbouw haar makkelijker te leren maakt dan andere Europese talen voor niet-Europeanen; dat de mogelijkheid om Esperanto te gebruiken haar sprekers in staat stelt om mensen te ontmoeten uit een groot scala van culturele en taalkundige achtergronden. Het gebrek aan banden tussen Esperanto en een of andere nationale staat vergemakkelijkt wellicht een symmetrische communicatie, welke de moedertalen van de sprekers ook moge zijn. Op het niveau tussen staten, in politieke instituties, die debatteren over het lot van de wereldbevolking, is het gebrek aan politieke slagkracht natuurlijk de voornaamste zwakte van de taal. Het zijn de machtige staten, die erop kunnen aandringen dat hun talen ‘officieel’ moeten zijn.

Het concept van een officiële taal vindt zijn oorsprong in de vroege jaren van de Volkenbond, toen het Frans en Engels op gelijke rang werden behandeld, en zo ontstond de fictie, dat een tekst die in welke taal dan ook is geschreven, reproduceerbaar is in elke andere taal dan ook en dat de resulterende producten geheel gelijk zijn naar hun betekenis (Tonkin 1996, p.14).

Hetzelfde principe van teksten met een identieke betekenis heerst in de Europese Unie, die vele officiële talen heeft, waarbij iedere taal ‘dezelfde’ semantische inhoud uitdrukt. Ieder mens die het proces en de producten van vertaling kent, weet, dat het streven naar het kwadrateren van de cirkel van conceptuele, culturele en taalverschillen een utopisch ideaal is, dat ver af staat van de manier waarop diverse realiteiten functioneren. Bijvoorbeeld de rechtssystemen van elk van de lidstaten van de Europese Unie hebben zich ontwikkeld op unieke, verscheidene manieren en teksten kunnen nooit ‘hetzelfde’ betekenen in alle talen en culturen.

Toch bestaan er krachten die het Europese Parlement proberen te overtuigen om serieus de Esperanto-optie te overwegen, en naar men zegt, wil een toenemend aantal afgevaardigden over dat soort zaken debatteren. Men heeft bijvoorbeeld geluisterd naar voorstellen in 1993, en een uitgebreidere discussie over taalpolitiek was gepland.12 Uiteindelijke weerspiegelt dat het feit, dat multinationale EU-instituties in principe veeltaligheid en gelijkwaardigheid accepteren, hoewel de actuele taalhiërarchie daar tegen strijdt: sommige talen zijn gelijker dan andere, in het bijzonder het Engels en Frans in EU-fora.

Universala Esperanto-Asocio probeert de taalpolitiek in internationale organisaties te beïnvloeden. Het manifest dat op haar 81-e congres in Praag in 1996 is goedgekeurd, noemt een aantal principes die de beweging nastreeft voor ‘de internationale taal Esperanto’. Daaronder zijn democratie, op de wereld gericht onderwijs (m.b.t. alle etnische groepen), een doeltreffende opvoeding (beter leren van vreemde talen), veeltaligheid, taalrechten, taalverscheidenheid en emancipatie van mensen. De twee principes die het meest op het huidige thema betrekking hebben, zijn:

Democratie. Een communicatiesysteem dat sommige mensen gedurende hun hele leven bevoorrecht, maar van anderen eist dat ze jaren van moeite investeren om een minder hoge graad van beheersing te bereiken, is fundamenteel ondemocratisch. Hoewel, gelijk elke taal, Esperanto niet perfect is, is het superieur aan elke rivaal in de sfeer van gelijkwaardige wereldwijde communicatie. Wij beweren dat taalongelijkheid leidt tot ongelijkheid in communicatie op alle niveaus, inclusief het internationaal niveau. Wij zijn een beweging voor democratische communicatie.

Taalrechten. LDe ongelijke verdeling van macht tussen de talen is een recept voor een voortdurende onveiligheid op taalgebied, of voor directe onderdrukking van talen bij een groot deel van de wereldbevolking. In de Esperanto-gemeenschap komen mensen bijeen uit grote en kleine taalgebieden, die officiële en niet-officiële talen spreken, op neutraal terrein, dank zij de wederzijdse wil om een compromis te sluiten. Een dergelijk evenwicht tussen taalrechten en verantwoordelijkheden schept een precedent om andere oplossingen voor de taalongelijkheid en taalconflicten te ontwikkelen en te beoordelen. Wij stellen dat de grote machtsverschillen tussen de talen de garanties ondermijnen, die in zovele internationale documenten zijn vastgelegd, dat men gelijk behandeld wordt zonder onderscheid naar taal. Wij zijn een beweging voor taalrechten.

Daar dient aan toegevoegd te worden, dat ik me pas onlangs bewust ben geworden van het potentieel van Esperanto, omdat ik, net als het merendeel van de sociolinguïsten, het tot dan toe niet als een serieus iets had beschouwd. Behalve de intellectuele argumenten die hierboven zijn samengevat, heb ik ervaring opgedaan bij twee ‘internationale’ conferenties die ik heb bijgewoond in de zomer van 1996. Op de Conferentie over Taalrechten in Hongkong, was het Engels bijna het enige communicatiemiddel. Een Zuid-Afrikaanse deelnemer gaf uitdrukking aan zijn verbazing, dat diegenen wier vermogen om het Engels te gebruiken minder dan perfect was, in het bijzonder Aziaten, die zich zeer moeilijk uitdrukten in het Engels, de ongelijke taalrechten accepteerden, die hen werden opgedrongen door de organisatoren van de conferentie. Enkele weken later, op het 81-e Universala Kongreso de Esperanto in Praag, kon ik met verbazing ervan getuige zijn dat verscheidene duizenden deelnemers uit de hele wereld zich vol zelfvertrouwen uitdrukten in een gemeenschappelijke internationale taal, waaronder verscheidene Aziaten, die daar geen nadeel van ondervonden.

Taalrechten in supernationale organisaties

Sommige talen worden bevoorrecht in internationale fora, bijvoorbeeld bij de VN of in defensie- of handelsallianties en organisaties die zulke internationale aangelegenheden regelen als scheepvaart of luchtverkeer en beroepsorganisaties. Het is typerend, dat men daar functioneert met behulp van een of meer officiële talen. De taal die men tijdens de twintigste eeuw min of meer opgedrongen heeft, is het Engels, ondersteund door revoluties in technologie en communicatie en als weerspiegeling van politieke, economische en militaire macht. Terwijl de taalhiërarchieën in postkoloniale contexten vaak geanalyseerd worden, wordt de internationale taalpolitiek, begrepen als het functioneren van talen in internationale organisaties, weinig bestudeerd en weinig begrepen. (Tonkin 1996, p.9; zie ook Coulmas 1996; Fettes 1996). 13

Analyses van Tonkin (1996) en Fettes (1996) over het functioneren van het taalsysteem bij de VN gedurende verscheidene jaren wijzen uit dat het huidige taalregime meer de politieke macht weerspiegelt dan een of ander principe van gelijkheid (bijvoorbeeld, de talen met het grootste aantal sprekers, of die een selectie representeren uit de taalecologie op wereldschaal, of doelmatigheid. Vijf talen (het Engels, Chinees, Frans, Spaans en Russisch) zijn als officiële talen van de VN geaccepteerd in 1945. Het Arabisch is erbij gevoegd na de oliecrisis van de jaren zeventig. Theoretisch zijn de zes officiële talen gelijkberechtigd bij de VN, en een groot aantal documenten wordt in die talen geproduceerd met behulp van een dure vertaaldienst. Feitelijk is het Engels de dominante werktaal, en dat aanvaardt men stilletjes bij de VN. De Franstalige machten hebben hun ontevredenheid daarover tot uiting gebracht bij de VN, maar tevergeefs, en hun protest had weinig te maken met gelijkheid of de rechten van andere talen dan het Frans. 14 Er bestaat sterke weerstand tegen hervorming van het systeem, omdat het de weerspiegeling is van een aantal politieke compromissen, en omdat diegenen die bij de administratie werken het systeem willen behouden en geen zin hebben om over alternatieven na te denken. Mogelijke alternatieven die door Tonkin (1996, p.22-24) zijn voorgesteld, houden o.m. in een meer open aanvaarding van één taal, hetzij het Engels of Esperanto, of een grotere inspanning om talen te leren en open veeltaligheid, of een systeem waardoor taaldiensten zouden kunnen worden verkregen tegen betaling. Er is op dit moment geen enkele aanwijzing, dat er een neiging bestaat om het systeem te wijzigen, hoewel de VN manieren zoekt om de uitgaven te beperken en men tot een kwart van de werkbegroting van de VN uitgeeft voor vertaal- en tolkdiensten (Fettes 1996, p.119). Het systeem is ondoelmatig, omdat veel vertegenwoordigers geen van de officiële talen vloeiend en op een begrijpelijke manier spreekt of vanwege logistieke problemen om tolkdiensten te regelen in de genoemde officiële talen en door verkwisting wanneer men teksten in alle officiële talen vertaalt, maar hen daarna weinig gebruikt. Zoals een oud-tolk uit het VN-systeem opmerkte, is het paradoxaal om veel geld uit geven aan dergelijke zaken ondanks dat belangrijke activiteiten van de VN, bijvoorbeeld het bewaren van de vrede, gezondheidszorg en de vooruitgang van de mensenrechten, te weinig geld krijgen (Piron 1994). Het lijkt gerechtvaardigd te concluderen, dat het huidige systeem om rechten aan enkele talen te geven, tot gevolg heeft dat sprekers van andere talen geen gelijke toegang krijgen tot het systeem. Bovendien betekent de keus voor een beperkt aantal talen niet dat er geen hiërarchie zou zijn tussen deze verkozen talen. Integendeel.

In de Europese Unie is taalpolitiek zo’n heikel thema, dat er weinig initiatieven op hoog niveau en van weinig kanten zijn op te tekenen. Met taalpolitiek kan men zich niet onderscheiden en daardoor is het geen prioriteit. In de meeste gevallen worden stappen op dat terrein in het verborgene gezet, niet openlijk. Zoals een redacteur van een nummer van International Political Science Review (een internationaal politicologisch tijdschrift) schreef over "het wereldtaalsysteem in wording": het onderwerp talen blijft het grote stilzwijgen van de Europese integratie. Er zijn vele woorden gewijd aan melkplassen en boterbergen, aan een eenheidsmunt, aan het vrije verkeer van EU-burgers en een beperking van de toegang van mensen van buiten, maar de taal zelf, waarin men dergelijke thema’s behandelt, blijft buiten discussie (de Swaan 1993, p.244).

Er zijn weinig systematische onderzoekingen gedaan naar taalpolitiek in de EU en geen enkele in een uitgewerkt multidisciplinair kader. Wat thans beschikbaar is, is fragmentarisch en grotendeels impressionistisch. Politicologische boeken over de Europese integratie negeren de vraag over talen (bijv. Richardson 1996). Geschriften over de EU-taalpolitiek bevatten analyses van de regels, die de taalpolitiek bepalen, over de empirie van het gebruik van specifieke talen, over houdingen ten aanzien van het gebruik van talen. De pionier-teksten zijn van een Frans-Canadees (Labrie 1993), een Duitser (Schlossmacher 1996) en een Noor (Simonsen 1996) en ongetwijfeld is het geen toeval, dat de eerste werken van intellectuelen zijn uit staten waar een gevoel heerst, dat hun eerste taal bedreigd wordt, in elk geval door de verbreiding van het Engels. De boeken zijn in het Frans, Duits en Noors, respectievelijk, wat misschien het aantal lezers beperkt. Maar veel van de thema’s zijn behandeld in het Engels (zie de jaarlijkse uitgave Sociolinguistica, en Phillipson en Skutnabb-Kangas 1997).

Theoretisch is taalpolitiek, net als cultuur, een zaak van iedere lidstaat zelf; maar de processen van globalisering en europeanisering, en de intensiteit van de banden over de grenzen heen, op zoveel gebieden, in veel gevallen gestimuleerd door stappen die in EU-kader zijn gedaan, maakt nationale autonomie voor een deel een illusie. Voor EU-instituties zijn de belangrijkste taalwetten die van 1958, die aan de vier voornaamste talen van de oprichters (het Nederlands, Frans, Duits en Italiaans) gelijke rechten als officiële werktalen verlenen. Toen zich steeds meer nieuwe staten aansloten (het Deens en Engels in 1972, het Grieks, Portugees en Spaans een tiental jaren daarna en het Zweeds en Fins in 1994) kwamen hun talen er bij. Het voorwoord bij het eerste besluit verduidelijkt, dat die talen, die officieel zijn in het territorium van de lidstaat, talen van de EU mogen zijn. Men staat geen regionale talen toe, zoals het Catalaans in Spanje, hoewel dat meer sprekers heeft dan enkele van de officiële talen.

Lidmaatschap van de Europese "Unie" impliceert een samensmelting van soevereiniteit met die van andere lidstaten. Daarom is de behoefte evident aan schriftelijke documenten die het resultaat zijn van onderhandelingen tussen de lidstaten (bijvoorbeeld in de Raad van Ministers) en die moeten worden verspreid in elke staat in de voornaamste taal, want teksten op basis van EU-wetten (traktaten, regelgeving) zijn belangrijker dan nationale wetten. Op dit gebied moeten de teksten duidelijk zo mogelijk equivalent zijn in de verschillende officiële talen.

Het huidige systeem van tolken in de officiële talen (YxY-1 mogelijke combinaties) is loodzwaar en het systeem van ‘kanaal’-tolken (bijv. vanuit het Deens in het Grieks via het Frans of het Engels), wordt vaak gebruikt (Dollerup 1996). In principe heeft elke taal dezelfde rechten om te worden gebruikt als werktaal; in de praktijk zien sprekers van ‘kleine talen’ vaak van hun rechten af en gebruiken een van de ‘grote talen’. Ontwerpteksten zijn vaak alleen in het Frans of Engels te krijgen.

Waarschijnlijk was de gelijkheid van officiële talen altijd al een fictie. Het Frans was de voornaamste taal tijdens de eerste jaren van de EU-Commissie in Brussel en is dat op enkele gebieden gebleven. De Duitsers hebben dat geaccepteerd, hoewel leiders uit politiek en handel soms klagen, dat de Duitse belangen daaronder lijden, dat het Duits in feite niet dezelfde rechten heeft. Expliciete plannen m.b.t. taalpolitiek zijn er voor het merendeel nauwelijks; men streeft een soort van gelijkheid na tussen de officiële talen. EU-programma’s om de mobiliteit van studenten te bevorderen, hebben tot doel het gebruik van vreemde talen in de lidstaten te verbeteren en ‘een Europees’ gevoel te kweken. Theoretisch beweren de architecten van de Europese eenwording, dat culturele en taaldiversiteit het behouden waard zijn. Maar de realiteit is complexer, of het nu gaat om het gebruik van alle nationale talen op supranationaal niveau of om de rol en de rechten van minder gebruikte talen binnen elke lidstaat. Bovendien beïnvloedt het Engels sterk de nationale talen. In EU-instituties verbreidt het Engels zich ten koste van andere potentiële brugtalen, in het bijzonder het Frans en het Duits. De minder ‘internationale’ talen van de overige lidstaten hebben in werkelijkheid weinig rechten. Met ander woorden, er bestaat een stilzwijgende aanvaarding van een hiërarchie van EU-talen.

Het is moeilijk te voorspellen, hoe de EU-taalpolitiek zich zal ontwikkelen. Veel vragen blijven onbeantwoord: gaat de EU naar een tweetalig systeem, waarbij het Engels de tweede taal is van de elite (behalve natuurlijk van de geboren Engelssprekenden, die voor het grootste deel eentalig blijven)? Of zal er zich in sterke mate een veeltaligheid komen die veel richtingen kent en wederzijds is? Gaan de EU-instanties verder met het onhandige systeem van vertalen en tolken, of zal men de politiek ten aanzien van de werktalen en het schrijven van teksten veranderen. Is het resultaat van actuele projecten die de mobiliteit van studenten financieren (Erasmus, Socrates, enz.), zodanig dat het doel dat ze heten te dienen, nl. het versterken van minder gebruikte talen, bereiken of versterken ze in feite het Engels?15 Is er een goed geïnformeerde discussie over alternatieven mogelijk, zoals bijvoorbeeld Esperanto? Welke stemgerechtigden hebben de meeste invloed op het ontstaan van taalpolitiek: nationale of supranationale elites, beroepsgroepen, of mythes die door de massacommunicatiemiddelen in politieke discussies worden gecreëerd? Mag men veronderstellen dat vanwege het heikele karakter van het thema en vanwege de fragiliteit - op nationaal zowel als internationaal niveau - van de infrastructuur om een goed geïnformeerd publiek debat over dat thema te garanderen, commerciële krachten steeds meer het Engels versterken? En, als dat zo gebeurt, gaat dat dan ten koste van (sprekers van) andere talen? Dit is een zeer belangrijke zaak, op vele niveaus (individueel, regionaal, maatschappelijk, mondiaal) en op vele terreinen (cultureel, economisch, politiek, enz.), zowel op lokaal taal-ecologisch als paneuropees niveau.

Empirische studies geven aan, dat alleen het Frans en het Engels doelmatig functioneren als officiële talen en werktalen in interne EU-zaken (Schlossmacher 1996, informatie verzameld in 1992). Noord-Europeanen gebruiken gewoonlijk het Engels, Zuid-Europeanen het Frans. Het Engels vervult meest een rol in de communicatie naar buiten toe (bijv. zelfs met postcommunistische landen, waar het Duits traditioneel sterk is). Het werk van Quell (1997) bevestigt die indruk. Het vermogen om het Frans of het Engels te gebruiken is een voorwaarde voor een bevredigende deelname aan politieke besluitvorming, zelfs in het Europarlement, waar tolkdiensten voor meer talen beschikbaar zijn en waar men veel talen gebruikt, tenminste in de voltallige zittingen van het Parlement.

Op de vraag of er regelgeving nodig is voor een nieuw systeem van werktalen, antwoordde een grote meerderheid (78%) van de bureaucraten die in dienst van de EU staan, dat ze dat zouden verwelkomen, maar dat vinden veel minder parlementariërs (41%; Schlossmacher 1996, p.98). Typerend is dat mensen die ‘kleine’ talen spreken (bijv. Deens of Portugees) geen veranderingen wensen, mogelijk in de veronderstelling dat hun talen zelfs nog meer dan thans het geval is, opzij zouden worden geschoven. Dezelfde analyse merkt op, dat er een groot aantal is, dat wenst dat het Duits gebruikt moet worden als taal met de hoogste prioriteit en rang, in tegenstelling tot een systeem met alleen het Engels, of alleen het Frans en Engels als werktalen (dezelfde tekst, p.103). Een verdere vraag in het onderzoek van Quell was, of een formele oplossing van het onderwerp werktalen in de EU een één-, twee- of drietalig systeem zou moeten zijn en zo ja, welke van de officiële talen die rol zou moeten krijgen. De resultaten toonden een sterke voorkeur voor het tweetalige (Frans en Engels) of drietalige (Frans, Engels, Duits) systeem tegenover het ééntalige. De onderzoekers hadden bovendien de idee dat er meer steun is voor het alleen-Engels-systeem onder mensen, die het Engels als tweede taal gebruiken dan onder geboren Engelssprekenden.16

Ook het werk van Schlossmacher toont een groot scala aan meningen over de vraag of nieuwe lidstaten beslist dezelfde taalrechten moeten hebben als de ‘oude’. Hier merkt men weer dat bureaucraten er minder voor zijn dan parlementariërs dat nieuwe lidstaten beslist dezelfde taalrechten moeten hebben als de ‘oude’.17 Het is meer dan waarschijnlijk dat er beslissingen over taalpolitiek worden genomen als nieuwe staten bij de EU komen, al was het maar daarom, dat bijkomende talen de regeling voor simultaan tolken sterk compliceren. Betekent dat, dat in de toekomstige EU, in vergaderingen, waar staatshoofden bij aanwezig zijn, hoge ambtenaren en bureaucraten van het middenkader, politici en experts, men de eigen taal niet mag gebruiken? Wanneer men hen toelaat tot de Europese club (een club waarvan de regels juridisch geldig zijn in elke lidstaat), zullen ze dan alleen in het Frans of Engels te horen zijn? Antwoorden daarop kan niemand op dit moment geven, maar het gaat om iets fundamenteels: is de EU echt een democratisch partnerschap van lidstaten met gelijke rechten?

Omdat de politiek passief is, regelgeving door inertie… is de enige taal die daarvan profiteert, het Engels. Als men bedenkt, dat de meerderheid van de mensen niet wil, dat het Engels zich meer verbreidt, is het dus vreemd, dat het zich desondanks als taal van de Europese bureaucratie vestigt. (Quell 1997, p.71).

In de laatste vijfentwintig jaar heeft het Engels dezelfde rang van internationale taal aangenomen in de EU als in de VN en veel postkoloniale staten, wat zijn rol weerspiegelt van de taal van de Amerikanisering en ‘McDonaldisering’. Dat heeft gevolgen voor de taal-ecologie van de EU, die waarschijnlijk steeds meer zichtbaar worden in de komende decennia. Het Engels heeft een hegemoniale rol als internationale taal, waartegen het internationale recht, inclusief het recht aangaande mensenrechten, niets kan ondernemen, wat men ook verklaart in contracten over het niet aanvaardbaar zijn van discriminatie op basis van taal (over de beperkingen daarvan zie men Skutnabb-Kangas en Phillipson 1994b).

Internationale taalhegemonie

De taalhegemonie van het Engels komt op verschillende manieren tot uiting. Sommige weerspiegelen economische macht. De verbreiding van het Engels hangt minder af van militaire macht (hoewel de pacificatie in Bosnië het Engels daar versterkt en algemener maakt) dan van commerciële druk, niet in het minst die van multinationale corporaties en wereldwijde en regionale organisaties, zoals de EU. Het is duidelijk, dat taalhiërarchieën op het internationaal niveau niet direct gecorreleerd zijn met nationale demografische of economische krachten. Het Duits heeft het grootste aantal sprekers in de EU, de grootste internationale markt en de sterkste economie en het functioneert enigszins internationaal, maar er zijn weinig aanwijzingen, dat het een rivaal kan worden van het Engels. Het Engels profiteert bovendien van het onderwijs in vreemde talen, dat de internationale taalhiërarchie bevestigt. Om te kunnen concurreren op de wereldmarkt, investeren die staten, wier talen rivaliserende internationale talen zijn – Frankrijk, Duitsland en Spanje – veel in het leren van het Engels in hun onderwijssystemen, hoewel men het Engels als bedreiging ziet voor lokale culturen en taalwaarden.18

Ook internationale wetenschappelijke samenwerking wordt gedomineerd door het Engels. Perifere onderzoekvelden vallen vaak onder het monopolie van multinationale projecten die gebaseerd zijn op wetenschappelijk en taalimperialisme:19 er zijn asymmetrische verhoudingen in de academische uitwisseling, die de rol van het Engels sterker maakt, en een hiërarchie van onderzoekparadigma’s, die men vaak legitimeert en zonder nadenken intern accepteert. De taal met de hoogste rang profiteert van de beelden die reclames van multinationale ondernemingen presenteren en de associatie van het Engels in de geest van mensen met succes en hedonisme. Die symbolen versterkt een ideologie, die de dominante taal verheerlijkt en andere minacht; deze hiërarchie wordt ‘gerechtvaardigd’ en intern geaccepteerd alsof het normaal en natuurlijk zou zijn, en niet als een uiting van hegemoniale doelen en belangen.20 De verbreiding van het Engels is duidelijk zichtbaar in de postkoloniale politiek, die de lokale taal-ecologie negeert. Academische ‘Westerse’ onderzoekingen naar de sociologie van de taal weerspiegelen vaak asymmetrische verhoudingen, zoals een recensie van een boek (geschreven door een Noord-Amerikaan) toont: Ziehier een typisch voorbeeld van samenwerking tussen Indiase en Westerse onderzoekers: oppervlakkig en hooghartig… Als wij de literatuur in regionale Indiase talen negeren over de taalproblemen in India, dan missen wij essentiële percepties. De Engelse taal geeft ons slechts één dimensie, één gezichtspunt en één venster (Kachru 1996, p.138, 140).

Wereldwijd hebben die tendensen en vele andere, die integraal onderdeel zijn van de McDonaldisering, tot gevolg, dat zowel de elite als randfiguren het Engels willen kunnen gebruiken om de evidente reden, dat men er een sleutel in ziet om poorten te openen. De populariteit van het Engels moet ons niet het feit doen vergeten, dat in Afrika als geheel 90% van de mensen alleen maar Afrikaanse talen spreekt. Vergelijkbaar is de toestand in India; sprekers van het Engels slechts 5%. Als het wenselijk is, dat burgers in de landen op onze gehele planeet bijdragen aan de oplossing van lokale problemen en de lokale omgeving gebruiken voor lokaal inpasbare culturele, economische en politieke doelen, dan maakt dat het gebruik van lokale talen beslist noodzakelijk. Taalpolitiek moet die dimensies van de taal-ecologie in overeenstemming brengen met de druk van globalisering en internationalisering, die het Engels naar voren schuiven. Taalpolitiek moet expliciet zijn en moet gelijke voorwaarden inhouden voor alle volkeren en alle talen. Het is mogelijk een pleidooi te houden voor de verbreding van het internationale mensenrecht, zodat het de invasie van dominante internationale talen verhindert.

NOTEN

1Politiek sleuteldocument, The diffusion of English culture outside England. A problem of post-war reconstruction (De verbreiding van de Engelse cultuur buiten Engeland. Het probleem van de naoorlogse wederopbouw) (Routh 1941), was geschreven door een raadsman van de British Council (Britse Raad), een organisatie die in de jaren 1930 is opgezet om het Engels te verbreiden en het verbreiden van talen van fascistische regimes tegen te gaan. Dat was het basisdocument om een wereldwijd beroep te creëren om het Engels te onderwijzen, dat in de late 50-er jaren ontstond en sindsdien stormachtig is gegroeid. De Amerikanen hebben geld gestoken in onderwijssystemen van de “Derde Wereld’-landen en grotendeels in het beroep van onderwijzer van het Engels als tweede taal …. … het uitgeven van grote sommen geld uit fondsen van regering en particulieren in de periode 1959-1970, misschien de grootste uitgave in de historie met het doel om een taal te verbreiden (Troike, directeur van het Centrum voor Toegepaste Linguïstiek, Washington, DC, 1977).

2Die meningen hebben betrekking op de vorm (een amalgaam van verscheidene, in eerste instantie Europese talen) en haar rol als doorgeefluik van het Christendom, literatuur, rijkdom, technologie, wetenschap, vooruitgang, enz. Tegen die imperialistische houding zijn weinigen, zelfs vandaag de dag (Bailey 1991, p.116). Het is een lange en levendige traditie om te beweren dat men bewijzen kan leveren voor de superioriteit van het Engels op alle terreinen van het menselijk handelen. Veel mensen rechtvaardigen afschuwelijke onrechtvaardigheden. Weinig beweringen overleven een rigoureuze en koele analyse. (in hetzelfde boek, p.287).

3Malcom Rifkind, toen de Britse Minister van Buitenlandse Zaken, zei: Groot-Brittannië is een wereldgrootmacht met wereldwijde belangen vanwege de Commonwealth, de transatlantische betrekkingen (met de VS) en de groeiende macht van de Engelse taal (verslag in The Observer, 1995.09.24).

4Het project English 2000 van de British Council, gelanceerd in 1995, informeert in zijn publiciteit, dat het doel is de rol van het Engels te exploiteren om Britse belangen te bevorderen als een facet van de taak om de rol van het Engels voortdurend groter te maken als de wereldtaal van de volgende eeuw….Engels spreken opent voor de mensen de culturele verworvenheden van Groot-Brittannië, haar sociale waarden en commerciële doeleinden.

5The Sunday Times, 1994.07.10: De redding voor het Frans is, dat men zo efficiënt mogelijk het Engels als tweede taal onderwijst in alle Franse scholen… Alleen als de Fransen de dominantie van het Engels-Amerikaans als de universele taal erkennen in een kleiner wordende wereld, kunnen ze doeltreffend hun eigen unieke cultuur verdedigen… Groot-Brittannië moet het werk voortzetten om het Engels te verbreiden en de Britse waarden, die er achter steken.

6La lastatempan inundon da libroj pri tutmondiĝo kaj la angla oni povas maldetale klasifiki kiel:

  • regiona: (ekz. Linguistic ecology. Language change and linguistic imperialism in the Pacific region, Mühlhäuser, Routledge; South Asian English, ed. Baumgardner, Illinois UP);
  • kompara: (Post-imperial English: Status change in former British and American colonies, 1940-1990, ed. Fishman, Conrad and Rubal-Lopez, Mouton de Gruyter; Language politics in English-dominant countries, Herriman/Barnaby, Multilingual Matters);
  •  triumfisma: (English as a Global Language, Crystal, Cambridge UP);
  •  analiza: (The politics of English as an international language, Pennycook, Longman; Problematizing English in India, Agnihotra and Khanna, Sage; Linguistic imperialism, Phillipson, Oxford);
  •  radikala-kritika: (The otherness of English. India's auntie tongue syndrome, Dasgupta, Sage; De-hegemonizing language standards. Learning from (post)colonial Englishes about "English", Parakrama, Macmillan);
  • prognoza: (The future of English, Graddol, British Council).

7Dat is de essentie van een lezing door de voorzitter van de British Association for International and Comparative Education (Britse Vereniging voor Internationaal en Vergelijkend Onderwijs), Sir Christopher Ball, tijdens de Derde Oxford Conferentie over Onderwijs en Ontwikkeling, 1995.

8 De onderwijsgebieden zijn:

  1. leren hoe te leren
  2. de wereldtaal
  3. de moedertaal (als die verschilt van de wereldtaal)
  4. beheersing van de cijfers
  5. cultureel lezen/schrijven
  6. maatschappelijke verhoudingen
  7. religie, ethiek en waarden.

9 Linguicism [taal apartheid] is te definiëren als "ideologieën, structuren en praktijken die gebruikt worden om een ongelijke verdeling van macht en bezit (materieel en immaterieel) tussen groepen te legitimeren, creëren en reproduceren, die op taal is gebaseerd." (Skutnabb-Kangas 1988).

10 Zamenhof zelf citeerde Ovidius, zinspelend op mensen die Esperanto afwijzen zonder dat ze zijn potentieel en realiteit kennen: Ignoti nulla cupido, i.e., men wenst datgene niet, waarover men niets weet (geciteerd in Centassi en Masson 1995).

11 In de herfst van 1915 schreef Zamenhof een artikel met de titel "Na de Grote Oorlog – Appel aan de Diplomaten", een soort politiek testament. Hij stelde vier principes voor (Centassi en Masson 1995, p.329-331):

•  elke rijk behoort moreel en materieel aan al zijn natuurlijke en genaturaliseerde bewoners…Geen enkele bevolkingsgroep in het rijk heeft grotere of kleinere rechten of plichten dan de andere bevolkingsgroepen;

• elke bewoner van een rijk heeft het volste recht om die taal of dat dialect te gebruiken, die of dat hij/zij wil gebruiken…; 

• voor alle onrecht dat in een bepaald rijk is gebeurd, is de regering van dat rijk verantwoordelijk voor een Constant Pan-Europees Tribunaal, dat in overeenstemming met alle Europese rijken is opgericht;

• elk rijk en elke provincie moet niet de naam van een of andere bevolkingsgroep dragen, maar slecht een geografisch neutrale naam die in overeenstemming met alle rijken is aanvaard.

12 Das Kommunikations- und Sprachenproblem in der Europäischen Gemeinschaft — in wie weit könnte eine Plansprache zu seiner Lösung beitragen? (Het communicatie- en talenprobleem in de Europese Gemeenschap - in hoeverre zou een plantaal aan de oplossing ervan kunnen bijdragen?), Europees Parlement, Brussel, 29 september 1993, georganiseerd door het Hanns-Seidel-Fonds.

13 Het Centrum voor Onderzoek en Documentatie over Wereldtaalproblemen, waarvan de zetel is bij de Universiteit van Hartford in de VS, samen met het tijdschrift Language Problems and Language Planning (Taalproblemen en taalplanning), heeft een serie conferenties bij de VN georganiseerd over taalpolitiek (zie Tonkin 1996).

14 Lees de resolutie van de Algemene Vergadering van 2 november 1995, gerapporteerd door Fettes 1996, p.130.

15 Decennia lang stimuleerde de Raad van Europa het leren van twee vreemde talen. De EU-commissie in haar White Paper (leidend document) over Onderwijs en Training (COM[95] 590 van 1995.11.29) heeft aanbevolen, dat jongeren tenminste twee vreemde talen van de EU leren, en heeft diverse middelen voorgesteld om het leren van vreemde talen te versterken. Veel scholieren in Europa doen dat al en het merendeel van de Europese regeringen behalve de Britse, zijn bereid het leren van twee vreemde talen te ondersteunen.

16 Hoewel Quell zorgvuldig en voorzichtig heeft geanalyseerd, neigt hij ertoe de mening te aanvaarden, dat sprekers van de tweede taal ideaal als agenten van verandering optreden, niet alleen omdat ze sterk gemotiveerd zijn, maar ook omdat ze een taal steunen, waarmee ze niet zijn verbonden op een botweg nationale en culturele manier en dus zal men hen niet gauw als ondersteuners zien van een politiek van egoïstische, nationalistische motieven (Quell 1997, p.70). Misschien is deze conclusie geldig in het kader van dit onderzoek; maar als men haar in een bredere context plaatst, is ze minder te veralgemeniseren. De onderzoeken van Schlossmacher wijzen uit, dat EU-bureaucraten minder dan parlementariërs staan op het gebruik van hun eerste taal in EU-instituties.

17 Tot op zekere hoogte kan dat "resultaat" een niet-natuurlijk resultaat zijn van de vorm van de vragenlijst, omdat de ondervraagden uitspraken moesten interpreteren, die men op verschillende manieren kan opvatten, hoe zorgvuldig men ze ook heeft geformuleerd. En is Amtssprache exact het equivalent van official language?

18 Lees details over veranderingen in het onderwijs in vreemde talen in EU-landen in de afgelopen halve eeuw en de analyse van de gevolgen voor de keus van een taal in de interpersoonlijke communicatie bij Labie en Quell 1997.

19 Er vonden levendige debatten plaats in Hongaarse wetenschappelijke vaktijdschriften over de ongelijke verhoudingen tussen Noord-Amerikaanse wetenschappers en hun Hongaarse ‘partners’. Zie het speciale nummer van Replika over "Kolonialisme of partnerschap? Oost-Europa en de Westerse Sociale Wetenschappen", 1996. Ik dank Miklós Kontra dat hij mij daarop heeft geattendeerd.

20 Een voorbeeld van enige tijd geleden: een hooggeplaatste beambte van de British Council beschouwt de huidige dominantie van het Engels op de belangrijkste gebieden van globalisering als even begrijpelijk als het feit, dat water naar beneden stroomt en de zon in het oosten opkomt en als men dat maatschappelijk feit aanvaardt, is het legitiem en onvermijdelijk, dat Engelssprekende landen uit dat feit nationale voordelen proberen te halen … (Seaton 1997, p.381).

REFERENTIES

Abou, Sélim kaj Katia Haddad (red.). La diversité linguistique et culturelle et les enjeux du développement. Montréal: AUPELF-UREF, 1997.

Akinnaso, F. Niyi. "Linguistic unification and language rights." Applied Linguistics 15, no. 2 (1992): 139-168.

Bailey, Richard W. Images of English: A cultural history of the language. Cambridge: Cambridge University Press, 1991.

Calvet, Louis-Jean. Linguistique et colonialisme: petit traité de glottophagie. Paris: Payot, 1974.

Centassi, René kaj Henri Masson. L'homme qui a défié Babel. Paris: Ramsay, 1995.

Coulmas, Florian. "Language contact in multinational organizations." Kontaktlinguistik/Contact Linguistics/Linguistique de contact: An international handbook of contemporary research, ed. Hans Goebl, Peter H. Nelde, Zden¡k Star¥ kaj Wolfgang Wölck. Berlin/New York: de Gruyter, 1996, 858-864.

Crowley, Tony. Proper English? Readings in language, history and cultural identity. London: Routledge, 1991.

de Swaan, Abram. "The emergent world language system: an introduction." International Political Science Review 14, no. 3 (1993): 219-226.

------. "The evolving European language system: a theory of communication potential and language competition." International Political Science Review 14, no. 3 (1993): 241-256.

Djité, Paulin. "Language and development in Africa." International Journal of the Sociology of Language 100/101 (1993): 149-166.

Fettes, Mark. "Inside the tower of words: the institutional functions of language at the United Nations". In Léger (red.) 1996, 115-134.

Grin, François kaj Catherine Hennis-Pierre. "La diversité linguistique et culturelle face aux règles du commerce: le cas du film et des émissions de télévision." In Abou kaj Haddad (red.) 1997, 265-286.

Kachru, Braj B. Review of Grant D. McDonnell's "A macro-sociolinguistic analysis of language vitality: Geolinguistic profiles and scenarios of language contact in India". Language in Society 25, no. 1 (1996): 137-140.

Labrie, Normand. La construction linguistique de la Communauté européenne. Paris: Henri Champion, 1993.

Léger, Sylvie (red.). Vers un agenda linguistique: regard futuriste sur les nations unies, Towards a language agenda: futurist outlook on the United Nations. Ottawa: Canadian Centre for Linguistic Rights, University of Ottawa, 1996.

Lins, Ulrich. Die gefährliche Sprache. Die Verfolgung der Esperantisten unter Hitler und Stalin. Gerlingen: Bleicher, 1988.

Mazrui, Alamin. "The World Bank, the language question and the future of African education." Race and class 38, no. 3 (1997): 35-48.

Phillipson, Robert. Linguistic imperialism. Oxford: Oxford University Press, 1992.

Phillipson, Robert kaj Tove Skutnabb-Kangas. "Language rights in postcolonial Africa." In Skutnabb-Kangas kaj Phillipson (red.) 1994, 335-345.

------. "English only worldwide, or language ecology." TESOL Quarterly, special issue on language policy, 30, no. 3 (1996): 429-452.

------. "Lessons for Europe from language policy in Australia." In Pütz, 1997, 115-159.

Piron, Claude. Le défi des langues: du gâchis au bon sens (The languages challenge: from waste to common sense). Paris: L'Harmattan, 1994.

Pütz, Martin (red.). Language choices: Conditions, constraints and consequences. Amsterdam: John Benjamins, 1997.

Quell, Carsten. "Language choice in multilingual institutions: A case study at the European Commission with particular reference to the role of English, French and German as working languages." Multilingua 16, no. 1 (1997): 57-76.

Richardson, Jeremy (red.). European Union: power and policy-making. London: Routledge, 1996.

Schlossmacher, Michael. Die Amtssprachen in den Organen der Europäischen Gemeinschaft. Frankfurt am Main: Peter Lang, 1996.

Seaton, Ian. "Linguistic non-imperialism." ELT Journal51, no. 4 (1997): 381-382.

SkutnabbKangas, Tove kaj Robert Phillipson (red.). Linguistic human rights: overcoming linguistic discrimination. Berlin: Mouton de Gruyter (paperback version 1995), 1994a.

SkutnabbKangas, Tove kaj Robert Phillipson. "Linguistic human rights, past and present." In Skutnabb-Kangas kaj Phillipson 1994a, 71-110, 1994b.

------. "Language rights in postcolonial Africa." In Skutnabb-Kangas kaj Phillipson 1994a, 335-345, 1994c.

Simonsen, Dag. Nordens språk i EUs Europa. Språkplanlegging og språkpolitikk mot år 2000 (The Nordic languages in the Europe of the EU. Language planning and language policy towards the year 2000). Oslo: Nordisk Språksekretariat, 1996.

Tonkin, Humphrey. "Language hierarchy at the United Nations." In Léger 1996, 3-28.

Tsuda, Yukio. "The diffusion of English: its impact on culture and communication." Keio Communication Review 16 (1994): 49-61.

 

Supren
UEA, 2026